'Meesterlijke staaltjes instrumenttechniek'
Als er iemand is de vandaag de dag het negatieve imago van de blokfluit kan wegblazen is dat zeker Erik Bosgraaf. Wat hij aan klanken uit zijn instrument tovert! Bewegend als een slangenmens blaast hij erin, erlángs, benut alle gaten, laat zijn tong flatteren. Vooral in de moderne werken zoekt hij de grenzen van het onmogelijk op.
Het geboden programma was eigenlijk een amalgaam van onverenigbare componisten, maar zorgde wel voro de nodige variatie. Van de beide Telemann-concertn maakte nummer V (TWV 42:H1) de meeste indruk. Daarin konden Bosgraaf en Pianu zich, door een goed arrangement en een goede fluitkeuze, op hun versieringstoer vaak volledig synchroon uitleven. In nummer III (TWV 42:A3) verwees het klavecimbel de fluit naar het tweede plaats. Een zekere balans verstoring en kaalheid was het gevolg.
Solist Elias liet zijn gitaar uit 1812 zingen in een aria uit Rossini’s opera Semiramide. Een fluitfantasie uit vermoedelijk 1582 van Bassano verried de grote technische vaardigheid waar fluitisten toentertijd al over moesten beschikken.
De grootste aandachttrekkers waren echter de modernen. Takemitsu met twee delen uit ‘Towards the Sea’; klankschilderijtjes, waarin hij een geraffinieerd spel speeltmet klank, beweging en stilte. Ook Berio is zo’n zoeker naar nieuwe mogelijkheden. Zijn ‘Gesti’ voor solo blokfluit, als een angstimpressie overkomend, vereist een geweldige instrumentale beheersing. Bosgraaf was er meesterlijk tegen opgewassen.
Daarvoor had de Fin Auvinen met zijn opdrachtwerk ‘Nulla Salus’ (geen redding) de gemoederen al aardig beziggehouden. Een geinig werk van een jonge hond die met een scala aan techniekjes, inclusief het uitstoten van stemklanken, de uiterste grenzen van fluit- en gitaarspel aftast.
Met een bewerking van het fluitconcert in F (RV 434) van Vivaldi betraden ze gezamenlijk weer bekend terrein. De bijdrage van de gitaar was daarin wel zeer beperkt.
Recensie verschenen op 9 maart 2007
copyright 2007 De Stentor / Henk Slik