'Schunnig én mooi'

 

Erik Bosgraaf is losgebrand. Met een cd-box met blokfluitmuziek van de vroegbarokke meester Jacob van Eyck én een hypermoderne cd- en dvd-productie met nieuwe muziek en videokunst van Paul en Menno de Nooijer. Hij opent het Festival Oude Muziek en speelt deze zomer in Berlijn en Australië. ‘Het is oogsttijd.’


‘Blokfluitisten zijn bewerkers. Altijd maar zeuren dat er geen repertoire is. Nou, met Jacob van Eycks Der Fluyten Lust-hof hebben we de grootste collectie muziek die ooit voor een soloblaasinstrument is geschreven. Origineel voor de blokfluit. Waarom zou je dan alwéér een versie van De vier jaargetijden opnemen?’

Erik Bosgraaf (Drachten, 1980) vindt het avontuur in repertoire dat er ligt. Kruipt in de huid van de traditionele Japanse bamboefluiter voor een compositie van Toru Takemitsu, verdiept zich in de soberheid van Giacinto Scelsi. Hij zat middenin de voorbereidingen van een moderne-muziek-cd toen hij kennismaakte met Thiemo Wind, musicoloog en muziekredacteur van De Telegraaf. Die had na zijn promotieonderzoek over de vroegbarokke meester Jacob van Eyck carte blanche gekregen voor een cd-box en was op zoek naar een geschikte blokfluitist. Hij nodigde Bosgraaf uit ‘om eens wat te spelen’. Wind, zelf afgestudeerd op de blokfluit: ‘Ik viel van mijn stoel. Die jongen kan álles!’ Een paar weken later zaten ze samen op het kantoor van Brilliant-muziekbaas Pieter van Winkel. ‘Hoeveel cd’s denk je nodig te hebben? Drie? Is oké.’ Bosgraaf is nog altijd verbaasd: ‘Het is natuurlijk een ongelooflijk verhaal dat je met een instrument dat  zó anticommercieel lijkt in een Kruidvatfolder staat. Ik had het zelf niet verzonnen.’
Van Eyck (ca. 1590-1657), die met zijn improvisaties de wandeling van menig Utrechts liefdespaar sfeervol inlijstte, wordt dit jaar op het Festival Oude Muziek herdacht. Als het aan Erik Bosgraaf ligt, is de componist toe aan een revival, ook op het gebied van de interpretatie. ‘Die muziek moet in eerste instantie lekker klinken. Der Fluyten Lust-hof begeeft zich op het breukvlak van volkscultuur en ‘hoge’ kunst. Net zoals de schilders uit die tijd. Waarin onderscheidt de Nederlandse schilderkunst zich nou van Caravaggio? Er zijn boertige tafereeltjes, een beetje schunnig vaak, maar het is zo goed gedaan dat het weer mooi wordt, het volkse overstijgt. Dat heeft de muziek van Van Eyck ook.’
Voordat Bosgraaf het lekkere spelen kon ontdekken, waren er een crisis en zijweggetjes naar Indiase versieringstechnieken, naar het klavecimbel, de saxofoon, de popmuziek nodig. De student die alle technieken spelenderwijs onder de knie kreeg, raakte al in het eerste jaar van zijn studie uitgekeken op zijn nieuwe vak. ‘Ik kon zoveel kanten op dat ik geen meter meer vooruit kwam. Het ging veel te goed, de uitdaging was weg.’ Maar musiceren heeft nog een andere kant. Die ontdekte hij toen hij in een bandje ging spelen. Improviseren, begrijpen waar de muzikant naast je mee bezig is, dat was nieuw. ‘Ineens kon ik he-le-maal niet meekomen. Vreselijk vond ik dat. Ik raakte in een heftige puberdepressie.’ Om over het dode punt heen te komen verdiepte hij zich in het klavecimbelspel en ging hij fanatiek improviseren. Eerst helemaal op gehoor en later ook in combinatie met genoteerde muziek.  
‘Als je op een blokfluit harder of zachter gaat spelen, klinkt hij al gauw vals. Daardoor moet je zoeken naar andere expressiemiddelen. Net als een klavecinist moet je het hebben van de suggestie, van vertragen en versnellen zonder dat het onritmisch wordt. Een fantastische tak van sport. Je moet de groove zien te vinden, zeker in deuntjes die daar gewoon om vrágen. De jeu van die muziek zit niet in een harmonische modulatie naar cis-klein, maar in de ritmiek en de flexibiliteit daarin.’
‘Wanneer ik de noten kende, ging ik in de bank onderuit hangen en hetzelfde stuk nog eens spelen. Dan ga je toch andere dingen doen. Je maakt de muziek langzamerhand lekkerder. Juist door half uit het raam te kijken en er niet eens over na te denken wat je doet, word je langzamerhand, zonder dat je het door hebt, een bepaalde richting op gestuurd. Ik probeer wel eerst het karakter van een stuk te pakken en niet eerst zelf met een interpretatie te komen. Uiteindelijk ben ik ook nog musicoloog. Maar binnen die kaders blijft er voldoende ruimte over. Muziek gaat over het momentum en hoe je reageert op de ruimte en je publiek. Ik zou Van Eyck in Paradiso anders spelen dan in het Concertgebouw.’
En anders dan in de Dom? ‘Jaaa, daar open ik het Festival Oude Muziek met een compositie van Jorrit Tamminga waarin de twee specialismen van Jacob van Eyck, de blokfluit en het carillon, samenkomen. De blokfluitklanken worden door een laptopkunstenaar gemodificeerd tot carillontonen. Vanuit acht luidsprekers worden ze die enorme ruimte ingestuurd. Het wordt een teaser, een moderne tegenhanger van de officiële opening.’
Maar eerst reist Bosgraaf met zijn vaste gitaarpartner Izhar Elias naar Australië. Tussen de concerten door is er wat tijd over. ‘Dan kun je op krokodillensafari gaan of je probeert wat concertjes te organiseren. Hoe gaat dat? Je stuurt een cd en een mailtje naar een conservatorium: We zijn dan en dan in Sydney en zouden het te gek vinden om daar met compositiestudenten te werken. Toen ik dat aan Henk Heuvelmans vertelde, de directeur van Gaudeamus, bleek dat het hoofd van die compositieafdeling toevallig in Nederland was. Ik die man opbellen en een afspraak maken en nu gaan alle compositiestudenten in Sydney een stukje van twee minuten schrijven voor blokfluit en gitaar. Het is oogsttijd.’

 

Big Eye,
werken van Sato, Takemitsu, Räisänen, Manca, Scelsi, Cori, Auvinen, De Roo
Erik Bosgraaf @ Izhar Elias
Phenom Records PH0713
www.phenomrecords.nl

Jacob van Eyck – Der Fluyten Lust-hof (selectie)
Erik Bosgraaf
Brilliant Classics 93391
www.brilliantclassics.com

 

Interview verschenen op 24 mei 2007

copyright 2007 De Volkskrant/ Bela Luttmer