'Een echte en een virtuele Erik Bosgraaf in het Festival Oude Muziek'
Erik Bosgraaf zou je met recht blokfluitist in residence van het komende Festival Oude Muziek kunnen noemen. Drie keer is hij te horen en te zien en alle drie de keren in totaal verschillende gedaantes. Tijdens het openingsconcert zijn er zelfs twee Eriken, een echte en een virtuele. Ze doen een pas de deux met elkaar en, samen, met de klanken van de Utrechtse componist Jorrit Tamminga. Een duet van blokfluit en laptop dat de muziek van de zeventiende-eeuwse Utrechtse componist, blokfluitist en beiaardier Jacob van Eyck moet verbinden met de 21ste eeuw. Ze hebben er veel zin in.
Het interview begint al goed. Het gloednieuwe, superbetrouwbare, superkleine, superhandige, supergebruiksvriendelijke opnameapparaatje geeft aan dat het vol is. Dat kan helemaal niet, maar toch weigert het hardnekkig dienst. De jongens kijken het getob met vriendelijke belangstelling aan. “Laat Jorrit er even naar kijken”, adviseert Erik Bosgraaf, “die krijgt zelfs een carillongeluid uit een blokfluit.” Even later heeft Jorrit Tamminga het apparaatje inderdaad aan de praat en is het eerste onderwerp van gesprek vanzelf dat carillongeluid uit die blokfluit.
“Jacob van Eyck is een van de thema’s van het Festival”, verklaart Tamminga. Zoals bekend was hij blokfluitist en beiaardier en Erik speelt zijn muziek op blokfluit. Ik vond het voor ons samenwerkingsproject dus een uitdaging om te bekijken of het mogelijk is - en ik heb al uitgevonden dát het mogelijk is - om van die blokfluitklanken klokkenklanken te maken.” Eendrachtig leggen ze uit hoe dat in zijn werk gaat. Het komt er op neer dat de blokfluitklanken die Erik Bosgraaf produceert via een microfoon in de laptop van Jorrit Tamminga terecht komen die ze daar transformeert tot een beiaardklok, zodat je tegelijkertijd de blokfluit en het geluid van klokken kunt horen. “Die klokken, zijn elektronisch gemaakte klokken die wat betreft hun geluid heel dicht bij een echte klok zitten. Het publiek moet dat verband tussen het elektronische geluid en de klokken kunnen horen, maar ik maak geen gebruik van van te voren opgenomen carillons, dat vind ik niet interessant”, zegt Tamminga. “Het moet allemaal uit die blokfluit en die computer komen. Ik kan er lange klokklanken van maken, korte klokjes, houten klokken en metalen klokken, ik kan de klank omkeren, de losse boventonen van een klok individueel laten horen, ik kan de klok zelfs door de kerk heen laten slingeren.”
Oren spitsen
Die kerk is de Domkerk, waar het openingsconcert gaat plaatsvinden, direct nadat beiaardier Arie Abbenes boven in de toren het 26ste Festival Oude Muziek in gang heeft gezet. Na, of zelfs nog tijdens het klokkenspel kan het publiek de kerk in waar het wordt ontvangen in een ‘luisterexpositie’ van live blokfluitmuziek en digitale kerkklokken. “Het concert bevindt zich op het breukvlak van het luisteren naar een concert en het bewegen op een ‘klankpad’ of door een ‘luisterexpositie’, zoals Jorrit het project noemt”, zegt Bosgraaf. “In de Dom staan 8 tot 10 luidsprekers opgesteld waaruit heel verschillende klanken te horen zijn. We willen het publiek verleiden eerst een beetje te gaan rondlopen tussen die klanken voordat ze gaan zitten.” Dat verleiden gebeurt door het geluid uit de luidsprekers, maar vooral ook doordat Erik Bosgraaf zelf ook op verschillende plaatsen te horen is. “Ik ga waarschijnlijk beginnen op de trans, op vijftig meter hoogte, loop rond en duik op onverwachte plekken op. Als ik op een podium ga staan gaan mensen zitten en luisteren.” En dat is niet de bedoeling. Het thema van het festival is Ars audiendi, de kunst van het luisteren, benadrukken beide heren. Dat betekent in dit geval ook luisteren naar wat er uit de luidsprekers komt, naar wat de ruimte met de klank doet (en omgekeerd), ontdekken hoe de klank zich door de ruimte beweegt en je oren spitsen naar waar het geluid nu weer vandaan komt. Dan kan het dus gebeuren dat je Erik Bosgraaf ziet spelen, maar - omdat je bijvoorbeeld ongemerkt in de buurt van een luidspreker staat - dan het geluid van een klok hoort.
De geest van Van Eyck
De compositie die ze samen gaan maken gaat waarschijnlijk Lachrimae heten, naar het bekende Lachrimae or Seaven Tears van John Dowland. Jacob van Eyck heeft daarop variaties geschreven in zijn Pavaen Lachrymae en beiaardier Arie Abbenes zal “heel vriendelijk” gevraagd worden of hij dat stuk in zijn beiaardconcert wil opnemen. Zo willen Tamminga en Bosgraaf met hun performance de verbindende schakel zijn tussen het klokkenspel van de echte beiaard het ‘gewone’ concert dat na hun luisterexpositie in de Dom zal plaatsvinden. De muziek die Erik Bosgraaf speelt zal ook van Van Eyck zijn. Daarnaast kan hij met zijn spel ook reageren op de klanken die Jorrit Tamminga van zijn fluitspel maakt. En Tamminga kan ter plekke zijn geluid veranderen in iets totaal anders, waardoor een soort duet ontstaat. “Het gaat het midden houden tussen een improvisatie en een compositie”, zegt Erik Bosgraaf, “en dat is weer helemaal in de geest van Van Eyck. Zijn composities bestaan uit variaties op bestaande melodietjes. Het is echte ‘performermuziek’ met die steeds moeilijker wordende variaties die spanningsverhogend werken. Het is werk van een improvisator die aan het eind van zijn leven is gevraagd: laat al die muziek die je hebt geïmproviseerd nou eens opschrijven. Straks ben je er niet meer en dan is het allemaal verloren.”
Drinkliedjes
Blokfluitist Bosgraaf is, doordat hij onlangs een selectie van de werken van Jacob van Eyck op 3 cd’s opnam eventjes gebombardeerd tot Van Eyckspecialist. Dat stempel zal hij ook na het Festival Oude Muziek, waarin hij veel Van Eyck speelt, wel een tijdje met zich meedragen. Maar natuurlijk speelt hij ook werk van andere componisten. Bovendien laat hij zich door zijn typische oude-muziekinstrument niet vastpinnen op oude muziek. Al zo’n 20 componisten hebben stukken voor hem geschreven die hij regelmatig uitvoert. Hij beperkt zich zelfs niet tot muziek alleen, want werkt ook mee aan performances van experimentele filmmakers. Naast zijn solo-optredens speelt hij in ensembles als Cordevento (blokfluit, gitaar en klavecimbel), in het blokfluitconsort The Royal Wind Music en vormt hij samen met gitarist Izhar Elias een duo. Hij geeft ook nog les en masterclasses en nu is hij prominent aanwezig in het Festival Oude Muziek.
Net als miljoenen andere kinderen begon ook hij zijn muzikale opvoeding met blokfluit. Maar waar anderen niet weten hoe gauw ze dat onooglijke instrument konden inruilen voor iets stoerders, waar indruk mee gemaakt kon worden, bleef Bosgraaf de blokfluit trouw. “Het was eigenlijk de bedoeling dat ik later zou overstappen op de hobo. Ik oefende plichtmatig het dagelijkse kwartiertje op de hobo, maar daarnaast speelde ik dagelijks 2, 3 uur per dag blokfluit voor de lol...” Die indruk maakte hij toch wel, vertelt hij lachend. “Door bijvoorbeeld heel snel blokfluit te spelen, heel belangrijk voor een een jochie van tien.” Wat hem aantrok aan de blokfluit was het eenvoudige concept ervan, het ontbreken van kleppen en rieten. Het feit dus dat er geen mechaniek zit tussen speler en instrument. “In mijn kamer liggen gewoon overal fluiten. Ik kan ze zo pakken en spelen. Dat directe, dat vind ik fantastisch.”
In het Festival treedt hij, naast het openingsconcert met Tamminga, nog twee keer op. Als de bespeler van het grootste en diepst klinkende instrument van het blokfluitconsort The Royal Wind Music in een programma rond Jacob van Eyck. “Ik speel daar voornamelijk de baslijnen, en dat is heerlijk. Als blokfluitist ben je altijd in de hogere regionen bezig.” Daarin begeeft hij zich weer tijdens het soloconcert met werken van Jacob van Eyck. Om de klankwereld van de blinde componist op te roepen wordt dat concert ’s nachts gehouden in de verduisterde Michaelskapel boven in de Domtoren. [check] Wélke stukken Erik Bosgraaf daar gaat uitvoeren weet hij nog niet. “Ik wil wel graag de onbekende Van Eyck doen”, zegt hij. “Er zijn meer musici die Van Eyck gaan spelen dit Festival. Ik heb aangegeven dat ik wel die stukken ga uitvoeren die de anderen níet doen. Ik heb drie cd’s opgenomen met zijn werk, bijna vier uur repertoire, alles kan wat mij betreft. Ik ga waarschijnlijk onder meer de boertige liedjes spelen, de drinkliedjes.”
De klokfluit
Componist Jorrit Tamminga is de zoon van een beiaardier en dus opgegroeid met de klank van klokken. “Van kinds af aan ging ik al met mijn vader mee naar boven. Maar ik was me totaal niet bewust van die klokkenklank. Ik ging alleen maar mee voor het uitzicht. Soms ging ik als mijn vader aan het spelen was zelfs in een ander kamertje zitten om stripboekjes lezen met een koptelefoon op met popmuziek. Pas toen ik muziektechnologie ging studeren ontdekte ik hoe die klank van klokken mij ingeprent was, want toen een docent vroeg een het geluid van een klok te maken met een synthesizer, haalde ik er heel snel een echte klokkenklank uit, terwijl ik toch nog nooit eerder een synthesizer had aangeraakt. Daarna wilde ik al gauw een stapje verder, want het leek me interessanter variaties op de klank van klokken te maken. In plaats van het geluid van een aangeslagen klok een aangestreken klok bijvoorbeeld en een klok met een ander harmonisch spectrum of een koor dat een klokkenklank zingt. En zo zijn er oneindig veel varianten te bedenken.” En dat heeft hij ook gedaan. Op Tamminga’s oeuvrelijst komt de beiaard behoorlijk vaak voor. Hij maakt ook stukken met gamelan, trompet of strijkkwartet (altijd met al dan niet live elektronica), maar zijn werk voor beiaard is ver in de meerderheid. Het is ook anders dan zijn andere stukken, zegt hij. “Beiaard is bij uitstek een instrument voor het volk. In mijn werken voor beiaard houd ik er dan ook rekening mee dat het bedoeld is voor de mensen op straat. Die moet je vast zien te houden, anders lopen of fietsen ze gewoon door. Ik probeer wel eerlijk bij mijn eigen esthetiek te blijven dus ik zet er geen beat onder en meng er geen Frans Bauerelementen doorheen. Mijn andere stukken, zoals deze luisterexpositie, maak ik anders, dat is meer kunst met een grote K. Maar ook voor die stukken geldt dat ik liever wil verwonderen dan afschrikken.”
Wanneer aan Tamminga gevraagd wordt welk instrument hij bespeelt, antwoordt hij: laptop. “Je kunt een laptop als een instrument bespelen”, legt hij uit. “Het vergt dezelfde virtuositeit en instrumentkennis als bij een ‘normaal’ muziekinstrument.” Bosgraaf beaamt het: “Ik heb tijdens mijn studie ook veel met elektronica gedaan. Het is heel ambachtelijk. Je moet het gewoon ook studeren en het gaat ook om hele muzikale dingen, zoals timing; wanneer doe je wat; welke klank krijg je terug en hoe speel ik daarop in.” “Maar er komt nog iets bij”, zegt Tamminga, “bij laptopspelen of elektronica moet je ook nog eens je eigen instrumentarium maken en als je dat hebt gedaan moet je het voortdurend aanpassen en ontwikkelen.” Hij vindt het een groot voordeel dat Bosgraaf zich interesseert voor elektronica. “Erik weet wat hij zou kunnen verwachten en kan gericht om bepaalde klankeffecten vragen. Hun aandeel in dit luisterexpositie-project is volstrekt in evenwicht. De blokfluit wordt niet ingezet ter ‘opleuking’ van de elektronisch geproduceerde klanken en de elektronica is geen een sausje om de blokfluit heen; het zijn twee gelijkwaardige instrumenten. Het stuk is nog lang niet af, ze zitten nog midden in een proces van denken en uitproberen. Gaat Tamminga via de luidsprekers een klanktraject uitzetten, laat hij één blokfluit horen of tien, klokken met grote tertsen in plaats van kleine? Wordt met dit project een tijdelijk nieuw instrument geboren: de klokfluit? “Het doel is in ieder geval dat het geen ‘blokfluit plus nog wat wordt’, maar een totaalconcept”, zegt Erik Bosgraaf. “Hoe het gaat worden is voor ons ook nog een complete verrassing. Jij zegt wel: ik ben benieuwd hoe het wordt, maar dat zijn wij ook!”
Interview verschenen op 15 mei 2007
copyright 2007 Tijdschrift voor Oude Muziek / Agnes van der Horst